< Orientatie
image

Zuid-Albanië

Een tijdloze wereld

Plaatsen, namen en mensen.

De geografie, of meer bepaald de geologie, levert één essentiële reden voor de lange historische belangrijkheid van Albanië. Het land bevat een grote concentratie aan mineralen zoals bijvoorbeeld chroom. Het land is één van de grootste exporteurs van chroom in de wereld en exporteert de laatste jaren ook naar China en India. Albanië exporteert verder olie, bitumen en marmer.

 

Het land heeft de op één na grootste olievoorraden op de Balkan en de grootste onshore oliereserves in Europa. De oliewinning begon in 1928 in rond Kuçovë (Fier), nam voortdurend toe en breidde al in 1929 uit tot Patos. Olie en gas vertegenwoordigen de meest veelbelovende, maar ook strikt gereguleerde sectoren van de economie. Sinds het begin van de jaren negentig werden buitenlandse investeerders aangetrokken waardoor meer en meer rechten, controle en verantwoordelijkheden naar de particuliere sector overgeheveld werden. De reserves blijven eigendom van de Albanese staat die de overeenkomsten met de particulieren afsluit en de rechten verleent. In 2016 kochten dochterondernemingen van China’s Geo-Jade Petroleum de boorrechten voor de exploitatie van de olievelden van Patos-Marinëz en Kuçovë voor zo’n 384 miljoen euro. Er is dus blijkbaar interesse in een versnelling van de exploitatie. Sinds datzelfde jaar 2016 hebben Chinese bedrijven een belangrijk aandeel in de strategische sectoren ingenomen en China is ondertussen de tweede grootste handelspartner geworden, traditionele landen zoals Turkije en Griekenland achter zich latend.

 

De Romeinen raakten al zeer geïnteresseerd in de bitumen die voor het rapen lagen in de regio Selenicë (Vlora) voor onder andere het waterdicht maken van hun schepen en keramische potten en voor hun bouwprojecten in Rome, maar de ontginning gaat veel verder terug in de tijd. In Maliq, in het oosten nabij het meer van Ohrid, en in het Kamlik meer in het zuidoosten werden bitumineuze potscherven gevonden die dateren van 5000 BCE. Het bitumen op de potscherven blijkt afkomstig te zijn uit Selenicë, een unieke bron in de zuidelijke Balkan. In de Bronstijd al werd het uitgevoerd naar Zuid-Italië. Het bracht toen blijkbaar nogal wat op wan tin een rijkelijk met giften voorzien graf in de tumulus van Lofkënd in de Mallakastër regio ten zuidoosten van Fier werd een pot gevuld met bitumen gevonden. Waaruit blijkt dat het product einde bronstijd en vroege ijzertijd rond 1000 BCE economisch en financieel al van belang was.

 

De Romeinen waren echter zowat de laatsten die -tot nu- de natuurlijke rijkdommen van de regio wisten te appreciëren. Degenen die erna kwamen zagen alleen de gunstige geografische positie in en zagen de regio alleen als interessant als transit tussen Zuid-Europa (vooral Italië dan) en Zuidoost-Europa en Turkije. De opeenvolgende invasies en bezettingen door Slaven, Noormannen en Ottomanen hadden een nefaste invloed op de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen en dit verplichtte de lokale bevolking zich te concentreren op kleinschalige landbouw en veeteelt om in de basisbehoeften te kunnen voorzien. Vooral tijdens de laatste twee eeuwen van de Ottomaanse bezetting werd de rijke ondergrond van Albanië compleet verwaarloosd door de economische incompetentie van het Ottomaanse Rijk. De kortstondige economische opflakkering tijdens de communistische dictatuur (1945-1991) met de hump van eerst de Sovjet-Unie en daarna China werden tenietgedaan door het halsstarrige geloof in het marxisme-leninisme van dictator Enver Hoxha en zijn angsten voor aanvallen vanuit het westen en Joegoslavië. De nasleep van die periode duurde tot 2014 waarna exploitatie van hulpbronnen en technologische ontwikkeling van de landbouw zich langzaam kon herstellen. Albanië voert nu ook landbouwproducten uit vooral dan aromatische planten (salie, lavendel, korenbloem) en medicinale kruiden waarmee ze in 2022 op de veertiende plaats in de wereld stonden.

 

De geografie verklaart ook waarom het bezit van de regio altijd belangrijk is geweest omwille van strategische redenen. De ligging aan de Adriatische en Ionische Zee met belangrijke havens als Durrës, Vlora en Saranda maakte dat het grondgebied een oversteekplaats was voor zowel handelskaravanen als legers. De belangrijkste oost-west route van de Adriatische kust naar Saloniki, de oude Via Egnatia, liep van Durrës via een vertakking naar Apollonia (Fier) dwars door Albanië naar de noordzijde van het Ohrid meer en dan door Noord-Macedonië naar Griekenland en Istanboel. Nog andere routes hadden echt belang: één liep van Fier naar Vlora en wikkelde zich vervolgens langs de kust van de Ionische Zee richting Butrint en Korfu waar de Venetianen zich gevestigd hadden. Een andere volgde vanuit Fier de loop van de rivier Seman om ofwel de historisch belangrijke vallei van de Drino te volgen richting Ioannina en Preveza, tot in de 19de eeuw belangrijke centra. Deze routes waren belangrijk voor de Venetiaanse slavenhandelaars om hun slachtoffers uit de Balkan over de Ionische en Adriatische Zee naar Italië, Spanje en het Midden-Oosten te vervoeren. Dat handeltje duurde van de zevende tot de vijftiende eeuw en droeg bij tot de voorspoed van de Republiek Venetië. Deze handel was gebaseerd op het feit dat de Balkan een religieuze grenszone was, in de middeleeuwen belangrijk omdat religie de bepalende factor was voor wie als legitiem doelwit van slavernij werd gezien. De Balkan werd tot ver in de middeleeuwen beschouwd als overwegend heidens gebied, een status die het lang behield in de ogen van het toen katholieke Europa. De slavenhandel in eerst heidenen en daarna in orthodoxchristelijke Slaven ging richting Italië, Spanje en Portugal, maar het grootste deel van de export ging naar het islamitische Midden-Oosten.

 

Handelsroutes kunnen een grote rol spelen in de geschiedenis, maar de strategische belangrijkheid van Albanië is niet alleen maar een kwestie van wegen. Voor wie Albanië onder controle had, lag de weg naar het noorden open en kon zijn dreiging Italië aan te willen vallen levendig houden. Dit laatste aspect was belangrijk voor de Ottomanen. Bovendien waren de havens aan de kust belangrijk voor de aanvoer van voorraden en manschappen om gebieden als Kosovo, Servië en Bosnië te bevoorraden en te kunnen oprukken naar de Donau. Dat verklaart ook gedeeltelijk de ijver van de Ottomanen om telkens opnieuw veel energie en middelen in te zetten om de voortdurende opstanden de kop in te drukken. Dat ging zo ver dat toen ze vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw heel wat grondgebied in de Balkan moesten afstaan, zij tot in 1912 Albanië als laatste bruggenhoofd te midden van toen al onafhankelijke staten hebben willen en kunnen behouden.