image

Zuid-Albanië

Een tijdloze wereld

Plaatsen, namen en mensen (2)

De omringende gebieden waren niet alleen verbonden met de regio die nu Albanië is door handel en oorlogen, maar ook door overlappende bevolkingsgroepen.

Ten noordoosten van Albanië ligt Kosovo bevolkt met een voor negentig procent Albanees sprekende bevolking. In het westen is er een duidelijke etnische grens tussen Albanezen en Macedoniërs. Macedoniërs zijn Slaven die een taal spreken die nogal wat verschilt van bijvoorbeeld Servisch en nauwer gerelateerd aan Bulgaars. Achter het Sarr gebergte echter leeft een aanzienlijke Albanees sprekende bevolking tot diep in Noord-Macedonië inbegrepen de overwegend Albanese stad Tetovo en verder naar het zuidoosten de stad Debar. De mensen van Debar en omringende dorpen waren beroemd én berucht omwille van hun drang naar onafhankelijkheid en de regio was dikwijls het laatste toevluchtsoord voor Albanese rebellen op de vlucht voor Ottomaanse legers. Het zuiden van Albanië werd door de Ottomanen vrij snel bezet terwijl het noorden langer weerstand bood. De wil om Albanië (voor een goed begrip: dit land bestond toen nog niet, op dat moment was de regio in handen van grote feodale families die voortdurend met elkaar in de clinch lagen) te veroveren ontstond in 1391 in Skopje om de invloed van de Venetianen op Albanië te kortwieken en hun overwicht op de handel in het Middellandse Zeegebied over te nemen. Vrij snel bezetten zij belangrijke centra zoals Berat (1417) en Ioannina (1430). In 1430 werden de gebieden verdeeld tussen zij die onder volledig Ottomaans bewind vielen, hoofdzakelijk het zuidelijke en centrale gedeelte, en zij die onder Venetiaans bewind stonden, vooral de kustzone, terwijl de noordelijke hooglanden en de centrale, geïsoleerde gebieden onder het bewind van enkele machtige Albanese families bleven die autonome vorstendommetjes vormden. Uiteindelijk zouden ook deze laatsten opgeslorpt worden enkele jaren na de dood van Skanderbeg in 1479, de laatste die in staat was ernstig weerstand te bieden. Het feit dat vooral in het zuiden de bekering tot de islam vrij snel werd gerealiseerd in tegenstelling tot het noorden war het katholicisme vrij wijdverspreid bleef onder de clans, was gebaseerd op praktische redenen: geen belastingen betalen. Wie niet bekeerd wilde worden week uit naar Griekenland en vooral naar Italië. In feite is er geen religie die Albanezen verbindt. De moderne Albanese bevolking (in Albanië, Kosovo, Noord-Macedonië en Montenegro) verdeelt zich wat de religieuze achtergrond betreft, grofweg in zeventig procent moslim, twaalf procent orthodox en 10 procent katholiek naast nog wat andere. Het woord ‘achtergrond’ is hier van belang want religie werd hevig onderdrukt door de Albanese staat na 1945 en officieel verboden in 1957, wat betekent dat hele generaties opgegroeid zijn met weinig of geen kennis over religieuze praktijken van hun voorouders.

 

Al van in de bronstijd wijzen verschillen in gebruikte materialen en gereedschappen op een onderscheid tussen noord en zuid wat wijst op totaal verschillende culturele invloeden. De Mycense invloeden kwamen gemakkelijk en snel via de valleien van de Vjosa en de Drino tot de regio Vlora. In de periode erna tot de komst van de Romeinen behoorde de hele zuidelijke regio tot Epirus terwijl het noordelijke deel onder invloed kwam van elkaar rivaliserende Illyrische stammen. Tot op de dag van vandaag zijn er nog talrijke gemeenschappen in zuidelijk Albanië die Grieks spreken en naar Griekenland gaan om te werken. Sinds de communistische periode onder Hoxha die er een punt van maakte om de Albanezen te verenigen en een eigen identiteit te geven, is de publieke opinie warm gemaakt voor de idee dat de Albanezen rechtstreekse afstammelingen zijn van de Illyriërs. Vermits er in geschreven historische bronnen geen sprake is van Albanezen vóòr de twaalfde eeuw werd dit argument gebruikt om te bewijzen dat de Albanezen al veel langer in de regio woonden dan de later aangekomen Slaven (zesde en zevende eeuw) en zij dus meer recht hadden op het grondgebied dan (toen) de Joegoslaven en (nu) de Serviërs. Die term Illyriërs werd door de Romeinen gebruikt om een zootje ongeregeld te omschrijven dat de overkant de Adriatische Zee onveilig maakte en de Zee zelf door hun piraterij. Omwille van praktische redenen catalogeerden ze dat zootje in een administratieve eenheid die ze Illyricum noemden. Als de Albanezen Illyriërs zouden geweest zijn, waren ze al lang van de aardbol verdwenen, weggevaagd door Romeinen en Slaven, net zoals dat zootje ongeregeld en hun taal of talen waarvan behalve wat inscripties op een paar rotsen niets is overgebleven.

 

Een andere verdeling in de Albanese bevolking is die tussen Gegs die in het noorden en in Kosovo leven en de Tosks die in Zuid-Albanië wonen. De rivier Shkumbin wordt beschouwd als de grens tussen de twee. In het zuiden zijn nog wel wat andere groepen die hun eigen dialect van de Albanese taal spreken zoals de Chams in het zuidwesten van Albanië en het noordwesten van Griekenland en de Labs die in de zone tussen Vlora en Himara leven en verder naar het oosten in de regio Tepelenë-Gjirokastër. Verschillen tussen Geg en Tosk zijn veeleer een zaak van taal dan van manier van leven. In het noorden in de hooglanden ontwikkelden de clans hun eigen sociaal systeem terwijl in het minder bergachtige zuiden clans zich nooit goed hebben kunnen vormen omdat feodale of Ottomaanse grootgrondbezitters er de plak zwaaiden. Taalkundige verschillen tussen Gegs en Tosks zijn opvallend, maar niet zo groot dat ze elkaar niet zouden kunnen verstaan. De meest opvallende verschillen liggen in de uitspraak van zekere klinkers en in het gebruik in Geg van de medeklinker ‘n’ in sommige woorden waar Tosk de ‘r’ gebruikt. Dit laatste is een bewijs dat Geg een oudere vorm van de taal is: Tosks hebben de ‘n’ naar ‘r’ veranderd tijdens een proces dat taalkundigen beschrijven als ‘rhotacisme’. Zo is de naam van de stad die van het Griekse ‘Aulona’ en Latijnse ‘Avlona’ of Italiaanse ‘Valona’ in het Geg Vlona, maar in het Tosk Vlora. Toen een standaardisering van de taal eindelijk werd ingevoerd in 1972 was deze gebaseerd op Tosk en niet op Geg en dit omwille van politieke redenen. De communistische leider Hoxha en veel van zijn getrouwen waren Tosks en ze stonden daarenboven nogal vijandig tegenover de clanleiders in het noorden die de doorgedreven centralisatie en controle niet zagen zitten en tegenover de katholieke priesters in Shkodra die een literatuur hadden ontwikkeld in Geg.

 

De basis van het Geg sociale systeem is de clan. Het Albanese woord hiervoor is ‘fis’ en wordt ook wel vertaald als ‘stam’. Dergelijke gemeenschap was strikt patrilineair wat betekent dat de afkomst alleen langs de mannelijke lijn werd berekend. De mythe van elke fis was dat alle leden afkomstig waren van één gemeenschappelijke voorouder, de stichter van de clan. In sommige gevallen kan dat wel het geval geweest zijn en was er effectief een originele stichter wiens nakomelingen het dominante element van de clan vormden, maar het is meer waarschijnlijk dat groepen die naast elkaar woonden zich samengevoegd hadden voor meer wederzijdse bescherming. Alhoewel in het zuiden dit sociale systeem grotendeels is weg geërodeerd door de – letterlijk en figuurlijk- meer open omgeving in tegenstelling tot de geïsoleerde gemeenschappen in de moeilijk toegankelijke bergen in het noorden, houd ik er toch aan wat dieper in te gaan op dit sociale fenomeen omdat dit ook de Albanezen in het zuiden heeft beïnvloed, zeker tot wanneer in de zestiende eeuw de Ottomanen de regio hebben bezet, en nog opnieuw -weer in mindere mate dan in het noorden- na de val van het communisme in de chaotische periode tussen 1985 en 2014 toen door de heersende wetteloosheid nood was aan een systeem dat de Albanees toch enig houvast kon geven.

 

Wie graag meer wil weten over de achtergronden van de fameuze Kanun verwijs ik graag naar de rubriek 'Kanun' in het menu of via deze link.