Een tijdloze wereld
Sinds de onafhankelijkheid eind 1912 is de catalogus van nationale tegenslagen goed gevuld, zelfs bijna eindeloos. Enkele en dan nog niet de minste dateren van gisteren en het is niet gezegd dat het de laatste zullen zijn. Het grondgebied is zoals bekend talloze keren het slachtoffer geweest van invasies, in het verleden werd de bevolking verslagen, bespot, vernederd, geplunderd en over hun lot is bijna altijd beslist geweest door diplomatieke verdragen en rivaliteiten. Hebben zij dat allemaal zomaar over zich heen laten gaan? Is het dan zo’n zwak volk?
Helemaal niet. Zij hebben wanhopig gevochten in talloze opstanden en heel velen zijn gedood, de burgers door dronken soldaten, militairen of opstandelingen door in aantal en logistiek superieure legers. Vergeten we even de gevolgen van vijfhonderd jaar Ottomaanse overheersing die een gebied in een afschuwelijke toestand achterliet: de vruchtbare gronden in de laaglanden waren moerassen geworden waar boeren de zeldzame gronden bewerkten met primitieve ploegen getrokken door ossen; in de hooglanden was het pure miserie want meer dan de helft van de schaarse vruchtbare gronden waren in handen van grootgrondbezitters. In en rond de steden was amper industrie, alleen kleine ambachtslui die vooral kleine werktuigen maakten. Het wegennet was zo goed als onbestaande, transport van mensen en goederen gebeurde met karren getrokken door paarden of ezels. Meer dan negentig procent was ongeletterd. Hygiënische en sanitaire installaties waren onbestaande. Toen Albanië zich onafhankelijk verklaarde werd het land meteen bezet: Servische troepen drongen door tot de Shkumbin rivier, Griekse legers bezetten het zuidelijke grondgebied tot aan Vlora en verder in het binnenland ook tot aan de Shkumbin waar de twee overeengekomen waren dat de rivier hun toekomstige landsgrenzen zouden zijn. De enige vrije basis was de stad Vlora van waaruit de regering probeerde het verzet te organiseren en de grootmachten te overtuigen Albanië te erkennen en de grenzen definitief vast te leggen. Griekenland bood het langst weerstand aan de internationale druk om zich terug te trekken en in plaats van het officiële leger installeerde het zogenaamde Epirusgroepen die de burgers terroriseerden en de autonomie uitriepen voor de hele provincie Gjirokastra, een gebied dat zich wat later uitbreidde tot Himara, Saranda en Përmeti. Ze wilden ook uitbreiden naar het oosten, naar Korça en Erseka daarbij hele dorpen afbrandend met de inwoners nog in hun huizen. De dodentol als gevolg van de acties van Grieken en Serviërs in de periode 1912-1914 wordt geschat tussen 120.000 en 270.000 afhankelijk van de bron. De meeste slachtoffers waren gewone burgers die op meestal gruwelijke wijze werden omgebracht, vrouwen en kinderen inbegrepen. Hier kan gerust over genocide gesproken worden: vele Serviërs namen geen blad voor de mond en verklaarden zelfs via officiële weg dat ze de Albanezen wilden uitroeien.
De vijandelijkheden en bezettingen duurden voort in de eerste wereldoorlog: Fransen, Italianen, Serviërs en Oostenrijkers vochtten hun duels uit in het land. Die legers moesten ook gevoed worden en dat gebeurde ten nadele van de lokale bevolking en ongeveer 70.000 Albanezen verloren het leven door de gevechten, hongersnood en epidemieën. In de aanloop naar de tweede wereldoorlog bezette Italië opnieuw Albanië. Ondertussen was een ondergrondse communistische partij opgericht die echter al vrij snel in verschillende fracties opsplitste en die begonnen elkaar al tijdens de oorlog te bestrijden. Een groep in Korça was de meest bedrijvige en die trachtte een georganiseerde vorm van verzet tegen de Italianen en Duitsers op te zetten in de bergachtige zones. Daarbij trad ene Enver Hoxha op het voorplan. Hij probeerde de verschillende fracties te versmelten tot één revolutionaire partij om eerst samen de fascistische bezetters te bestrijden en na de bevrijding een democratische partij te vormen om de bourgeois grootgrondbezitters te verdrijven. De partij begon aan guerrillaoperaties in alle steden en aanvallen op konvooien in het hele land. Hun leuze om liever te sterven dan in fascistische handen te vallen maakte hen overal geliefd en de partij won aan populariteit en steun op nationaal en internationaal niveau. De bourgeoisie bleef ook niet bij de pakken zitten en richtte op haarbeurt een ondergrondse beweging op, het Nationaal Front. Deze beweging omvatte niet alleen patriotten, maar ook vroegere collaborateurs en de grootgrondbezitters. Zij hadden vanzelfsprekend nogal wat anti-communistische gevoelens. Ook zij creëerden een netwerk aan organisaties en een eigen leger en verspreidden geruchten als zouden de communisten van plan geweest zijn samen te werken met Grieken en Joegoslaven om later, na de oorlog, het land afhankelijk te maken van die twee landen.
Het Nationaal Front begon ook geheime akkoorden af te sluiten met de Italianen om zo de handen vrij te hebben om acties te voeren niet tegen de fascisten, maar tegen de patriotten. Deze laatsten boekten echter succes na succes zelfs tegen Duitse troepen die via Macedonië Albanië waren binnengevallen. Uit frustratie brandden die hele dorpen af en doodden de inwoners. De Italianen namen wraak door in de regio Mallakastër tachtig dorpen te verwoesten met zware artillerie en honderden boeren te doden. Ze werden daarbij ondersteund door bendes van het Nationaal Front die tegelijkertijd de achterhoede van de partizanen aanvielen. Na de capitulatie van de Italianen vielen de Duitsers definitief binnen en veroverden stad na stad. Het Nationaal Front raakte in paniek door de successen van de communistische partizanen en bood nu zijn diensten aan aan de nazi’s. Dezen namen dat in dank aan en steunden het Nationaal Front om zijn militaire organisatie te versterken, de anti-fascisten uit te schakelen om zodoende met Albanië een sterke geografische positie te kunnen innemen om geallieerde landingen op de Balkan te verhinderen. Niet alleen een internationale oorlog was dus aan de gang, maar ook een burgeroorlog. In een omtrekkende beweging vanaf Tirana en vanuit Griekenland probeerden de Duitse troepen in de winter van 1944 de partizanen in Zuid-Albanië te vernietigen, daarbij duizenden burgerdoden makend, wat nog overbleef aan dorpen van de kaart te vegen en sympathisanten of veronderstelde sympathisanten van de partizanen naar concentratiekampen te sturen. De tactiek leek aanvankelijk een succes, maar was het uiteindelijk niet.
De partizanen doken plots terug op in de omgeving van Tirana en veroorzaakten verwarring. De gestage vooruitgang van de Russen in het Oosten gaf de nodige impulsen om door te zetten. De partizanen rukten op naar het noorden en veroverden regio na regio. Om het kort te houden; de partizanen veroverden Tirana, Hoxha en zijn communisten installeerden na de oorlog een marxistisch-leninistische dictatuur, elimineerden systematisch hun concurrenten van het Nationaal Front. Over wat de nefaste gevolgen waren van het communisme in Albanië voor de dagelijkse levensomstandigheden zijn interessante boeken verschenen die iedereen die extreem communisme ondersteunt of ermee sympathiseert eens goed zou moeten lezen. In de bibliografie achteraan dit boek zijn er enkele vermeld. Tot wat polarisatie uiteindelijk leidt, is ook daar en toen in de praktijk gebracht: andersdenkenden werden in werkkampen opgesloten, ongeveer 200.000 waarvan ongeveer zesduizend mensen verdwenen. Nog regelmatig worden in de omgeving van Tirana (op de Dajti berg) en rond de voormalige strafkampen massagraven gevonden.