Een tijdloze wereld
In een Albanese stad loop je niet het risico tegen een afgezaagd vrouwenbeen aan te lopen als je ’s nachts over straat loopt. Het zou geen lang even beschoren zijn met de zwerfhonden die op zoek zijn naar iets eetbaar. Het been heeft een nuttiger bestemming dan wanneer iemand met een nogal ziek geest erop klaarkomt.
Albanese steden zijn dan ook geen vuile, afgebleekte steden zoals het Italiaanse Genua waar zwaar gefrustreerde erfgenamen van middeleeuwse opportunisten de laatste restjes van hun kapitaal verteren en tevergeefs opboksen tegen verloedering door Afrikaanse immigranten, toeristen en hoertjes van allerlei soort. Albanese centra zijn ook vuil met zwaar gefrustreerde erfgenamen van een extreme vorm van communisme die tevergeefs opboksen tegen achterdocht, verraad en de twijfel of ze ooit zo rijk zullen worden als de toeristen of toch maar blijven leven in hun zo vertrouwde miserie. Althans wat wij, rijke westerlingen, ons voorstellen van wat miserie en vuil zijn. Misschien ervaren zij dat anders. In elk geval, de romantische Italiaanse piazza’s, via’s, corso’s en steegjes met afgezaagde vrouwenbenen vind je er niet. De op het eerste zicht informele en vrijmoedige Italiaanse stijl proberen de lokalen wel na te bootsen, vooral het mannelijke deel van de bevolking, tenslotte zijn er nogal wat die een aantal jaren in Italië hebben doorgebracht op zoek naar werk en koopkracht. Ze zitten de ganse voormiddag op meestal smakeloos ingerichte terrassen waarvan de uitbaters tevergeefs pogingen hebben ondernomen om ze een groen uitzicht te geven.
Tevergeefs want de bloembakken liggen vol sigarettenpeuken, lege sigarettenpakjes en plastic flesjes. De voetpaden zijn daarentegen wel zoals in de romantische Italiaanse steegjes: ondanks meestal recente aanleg vol verzakkingen en gaten door verdwenen stenen en riooldeksels. Dit laatste fenomeen is niet zo verwonderlijk als je de prijs van ijzer kent en geen bron van inkomsten kan of wil vinden. Maar de overheid grijpt in. Als er ooit eens geld en tijd is worden ze vervangen door betonnen deksels. Gezien het aantal schijnbaar werkloze, jonge werkkrachten op de terrassen en in de bars kan de langzame gang van zaken niet verklaard worden door een gebrek eraan. En toch, er verandert wat. Sinds een aantal jaren bezoeken ook vrouwen van alle leeftijden de terrasjes, de oudere generatie gepakt met plastic zakjes vol groenten en fruit van de markt, de jongere generatie met elk minstens één en liefst meer, smartphone achteloos op de tafeltjes. Dat kan want er wordt niet gestolen. Dàt is anders dan in Italië. Soms wordt ook effectief gebeld en dan hoor je dingen als “No, non posso adesso. Sto tomando il café. Arrivo in mezza ora. Ci vediamo dopo. Ciao!”. Soms waan je je op een terras in Genua. Het geeft een geruststellend gevoel, dat horen van Italiaans.
Toch is er een ietwat ongemakkelijk makend verschil: geen zwervers, geen bedelaars, geen hoertjes, geen opzichtige travestieten, geen zagende en huilende kinderen. Eigenlijk alleen maar, naar mijn bescheiden mening die er helemaal niet toe doet, normale mensen, kleurloze mensen. Zou dat kunnen zijn omdat er nog geen constante toestroom van massatoeristen is en van gelukszoekers die hun eigen land ontvluchten om hier andere ervaringen op te doen? Spijtig voor hen, maar hier heb je vanop je terras geen uitzicht op zoiets als een Piazza IV Novembre in Perugia omgeven door drukdoende, gesticulerende Italianen met op het tafeltje een warme chocolademelk van vijftien euro. Je hebt zicht op voorbijrijdende auto’s, je bent omgeven door rustig pratende mensen en op je tafeltje staat een rasechte Turkse koffie van vijftig cent, in steden nu misschien één euro, de prijs voor de toerist, in feite slechts een slokje dat je zoals het hoort in één keer dooslikt. Het is niet voor niets dat je er meestal een glas water bij krijgt. Dat glas water heeft naast de deugddoende verdunning van het koffieconcentraat nog een andere functie: het laat je namelijk toe aanzienlijk langer de indruk te gaven dat je iets consumeert. Het laat toe desnoods twee uur lang een deprimerend gesprek te hebben met een overlevende van een werkkamp van Enver Hoxha. Niemand die je na tien minuten komt vragen of je nog iets wenst.
Als er geen majestueuze gebouwen, in het zonlicht schitterende piazza’s, travestieten, afgeleefde aristocratie, hoertjes en gezellige steegjes met afgezaagde vrouwenbenen te vinden zijn, waarom ga je dan schrijven over een land waar weinigen in geïnteresseerd zijn, dat zogezegd kleurloos en normaal is, in tegenstelling tot een boek waarvan tienduizenden exemplaren over de toonbak gegaan zijn en waarin het verhaal zich afspeelt in een volkleurige stad zoals Genua of Venetië en met amper één honderdste van het schrijverstalent van populaire historici die ook nog eens alles mogen komen uitleggen in allerlei media? Juist daarom. In het Albaniê van nu kan je de evolutie bekijken van hoe volkse, aangename en rustige centra evolueren, deze keer in sneltreinvaart, naar moderne, drukke toeristische centra waar, aangetrokken door het massatoerisme, ook de dieven, moordenaars, travestieten, hoertjes en afgezaagde vrouwenbenen hun opwachting zullen maken. Sommige Albanezen doen hun uiterste best om deze evolutie zo snel mogelijk te laten verlopen, anderen bekijken het in hun nuchterheid en met realiteitszin met argusogen en enkelen komen ook al tot protest. Wil je Albanië écht leren kennen of er een idee over hebben hoe het is, ga dan nu. Ofwel wachten tot binnen een jaar of tien, twintig wanneer de inspanningen van sommigen om te zijn en doen zoals de Italianen mislukt zullen blijken te zijn, tenslotte loopt het land zo'n 2500 jaar achter op onze westerse tradities. Ze zijn ze nog maar een goede honderd jaar Albanees en Europeaan.