Een tijdloze wereld
De moeilijke toegankelijkheid van de regio die nu Albanië is, het geïsoleerde bestaan in clans, de fiere koppigheid van het ras en de verregaande verwaarlozing in Ottomaanse tijden maakten de invoering van een centraal bestuur zeer moeilijk. Noch Romeinen, noch Ottomanen zijn erin geslaagd. Steeds weer werden uitzonderingen toegestaan en overeenkomsten afgesloten met de clans.Zo ontwikkelde zich in de regio net zoals in andere moeilijk bereikbare bergachtige gebieden in Europa, lokale bestuursvormen en lokale wetten. De Kanun, een houvast tegen wetteloosheid.
Dat houvast kon teruggevonden worden in een subgroep van de clan, de vëllazëri, broederschap, die bestond uit een groep van bloedverwante families, maar alleen langs de mannelijke lijn. Sommige grotere clans waren onderverdeeld in of samengesteld uit verschillende kleinere clans. Door hun geloof in de patrilineaire afkomst werd elk familielid langs vaderskant beschouwd als van hetzelfde bloed en een huwelijk met zo’n familielid werd als incestueus beschouwd. De clans zochten bijgevolg hun bruiden in andere clans. Soms werden subclans van een grote fis beschouwd als voldoende niet verwant en was de veronderstelde voorouder ver genoeg verwijderd in de tijd zodat bruiden toch konden uitgewisseld worden. Hun wederzijdse loyaliteit als clan leden werd niet aangetast door religie: een subclan kon zich bekeren tot de islam terwijl de anderen katholiek bleven. De meeste Albanezen hadden ondanks hun obsessie met de mannelijke genealogie geen leiders met een erfelijke autoriteit. Beslissingen werden op alle niveaus genomen door een raad van ouderen. Voor belangrijke zaken zoals ten oorlog trekken tegen een andere clan werd een algemene vergadering met alle ouderen van de clan bijeengeroepen. Dit werd een ‘kuvend’ genoemd naar het Latijnse ‘conventum’. Vandaag nog wordt het Albanese parlement ‘kuvendi’ genoemd. Bij zeer bijzondere aangelegenheden werden vergaderingen georganiseerd met alle clans van een regio. Zo’n systeem van lokaal zelfbestuur kan niet bestaan zonder een sterke omkadering door gewoonterecht.
Alle essentiële regels betreffende het dagelijks leven -huwelijk, erfenis, graasrechten, criminele feiten- werden vastgelegd en oraal doorgegeven van generatie op generatie. De taak van de ouderen bestond er niet in nieuwe wetten te maken, maar wel om de feiten van elk geval te interpreteren volgens de wetten die zij kenden. Met het verstrijken van de tijd begonnen die wetten nogal te verschillen naargelang de regio. Sommige van die regionale codes hebben het overleefd tot vandaag. De meest bekende is de Kanun van Lek Dukjagin. Het woord kanun komt van het Griekse ‘canon’ wat onder meer ‘regel’ betekent waarna het via Arabisch en Turks als ‘kanun’ eindigde. Het woord is zo populair onder de Albanezen dat wanneer iets legaal is ze zeggen dat ‘het kanun is’ en wannerr iets niet legaal is ‘de kanun geeft het niet”. Lek Dukjagin zelf wordt algemeen beschreven als een vijftiende-eeuws lid van de Dukjagin clan waarbij Lek een Albanese afkorting is van de voornaam Alexander. Over de verbondenheid van deze edelman met de kanun is nogal wat discussie en zou deze kanun enkel de wetten van de regio betreffen die gecontroleerd werd door de clan Dukjagin, maar zelfs als een vijftiende eeuws individu die code heeft samengesteld, blijft het duidelijk dat hij veel gewoonterecht heeft verzameld dat veel verder in de tijd teruggaat. De kanun bleef onbeschreven tot in de negentiende eeuw toen uittreksels ervan begonnen ter verschijnen. De meest volledige werd geschreven door een katholiek Albanees priester, Shtjefën Gjeçov, en uitgegeven als een reeks artikels in een katholiek dagblad. Het werd uiteindelijk gepubliceerd in boekvorm vier jaar nadat hij in 1929 vermoord werd door een Servisch extremist. De invloed van de kanun op het dagelijks leven van de Albanees kan tot vandaag niet overschat worden. In 1920 schreef Edith Durham toen zij door Noord-Albanië, Montenegro en Kosovo reisde: "Toen ik vroeg waarom iets was gedaan werd mij gezegd “omdat Lek het zo beval, Lek heeft het zogezegd”. Moslim en katholieke priesters probeerden tevergeefs in te gaan tegen de gevolgen van iets wat Lek gezegd had.
Bij ons wordt de kanun bijna altijd in verband gebracht met de archaïsche en verschrikkelijke bloedwraak waardoor de indruk wordt gewekt dat het niets meer is dan een vendetta. Het tegendeel is waar want de kanun behelst bijna alle aspecten van het dagelijks leven, zo zijn er bijvoorbeeld sectie die de verplichtingen van smeden en molenaars vastleggen en wordt de wijze vastgelegd waarop de vergaderingen over rechtspraak en rechten moesten verlopen. Het legt de straffen wast voor criminele feiten, gaande van boetes voor kleine vergrijpen tot voor zware feiten de executie en het verbranden van het huis van de dader en de uitdrijving van zijn familie. De eerste basis is de persoonlijke eer, gevolgd door de gelijkheid van personen waaruit het derde principe volgt, de vrijheid van eenieder te reageren in overeenstemming met zijn eergevoelens binnen de grenzen van de wet, zonder te moeten gehoorzamen aan wie dan ook. Het vierde principe is het woord van eer, de besë, die een situatie van onschendbaar vertrouwen creëert. Het beschrijft hoe een man onteerd wordt, de belangrijkste zijn een man een leugenaar noemen in het bijzijn van derden, zijn wapens afnemen en zijn gastvrijheid onrecht aandoen. De verwijzing naar gastvrijheid is belangrijk: het huis van iemand binnengaan als zijn gast creëert een onverbreekbare band tussen gastheer en gast en er zijn verhalen over Albanezen die hun leven offerden om een gast te beschermen die voor één nacht onderdak had gekregen. Ook de referentie naar wapens mag niet onderschat worden: de geschiedenis in Albanië wordt gekenmerkt door opstanden tegen officiële pogingen om de bevolking te ontwapenen.
Het concept van bloedwraak is bij ons in het westen sinds de middeleeuwen nogal vreemd: het doel is niet het straffen van een moordenaar, maar genoegstelling voor het bloed van het slachtoffer of genoegdoening van iemands eer als die geschonden was. Als weerwraak het enige doel zou zijn dan zou alleen die persoon die rechtstreeks verantwoordelijk was voor de oorspronkelijke misdaad of belediging een potentieel doelwit zijn, maar de eer kan gewroken worden door eender welk mannelijk lid van de familie van de dader te doden waarop vanzelfsprekend het verspilde bloed van dit slachtoffer op zijn beurt roept om gewroken te worden. Dit kon/kan uitmonden in eindeloze moordpartijen die zelfs na generaties nog opflakkeren, eender waar. Vermits eer de essentie is zijn er strikte regels voor elke stap in de vete: iemand die bloed neemt om zijn geschonden eer of die van de familie te wreken moet openlijk verklaren dat hij dat heeft gedaan; een formele besë, belofte tot een soort wapenstilstand, voor een bepaalde periode moet afgesproken worden als dat omwille van een juiste reden wordt gevraagd. Procedures om eventueel af te zien van wraakneming bestonden ook, maar die werden ondanks aandringen van katholieke priesters en Ottomaanse ambtenaren in weinige gevallen toegepast. Aan het begin van de twintigste eeuw zou ongeveer twintig percent van alle mannelijke sterfgevallen moorden in naam van bloedwraak betroffen hebben. Een vendetta halfweg de negentiende eeuw begon met een ruzie tussen twee mannen over vier kogels die beloofd maar niet geleverd waren. Binnen de twee jaar leidde dit tot het afbranden van 1218 huizen en 132 doden. Het gewoonterecht was enkel van toepassing op Albanese clanleden want zoals in vele pastorale gemeenschappen het geval is was diefstal van buitenstaanders, zoals bijvoorbeeld stelen van vee, eerder een exploot dan een misdaad. Tegenwoordig zijn overheidsdiensten actief om hier en daar oplaaiende vetes in de kiem te smoren en moorden te laten bestraffen door reguliere rechtbanken.
Uit dit alles blijkt dat het nogal een mannenwereld moet geweest zijn en daarom vraagt het tweede principe, de gelijkheid van personen, om meer uitleg. Ook vrouwen hadden hun eer, maar die moest verdedigd worden door de man. Van alle spreekwoordelijke gezegden in de kanun is er één dat de gevoelens van de actuele moderne westerse persoon nogal zouden doen steigeren: ‘een vrouw is een zak om te dragen’. Dit betekent kortweg dat haar reden van bestaan uitsluitend is om de kinderen van haar man te dragen. Een vrouw had een hard leven in die gemeenschap: voortdurend huishoudelijk werk, werken op het veld en verboden contact te hebben met de wereld buiten de familie tot ze oud was. Daaraan kon ze alleen ontsnappen als ze besloot ‘gezworen maagd’ te worden, wat betekende nooit trouwen, mannenkledij dragen en het leven van een eervol man leiden. Het was een zeldzaam verschijnsel, maar het was een manier om een gedwongen huwelijk te vermijden of om te zorgen voor een vader zonder zonen. Toch waren er compensaties: het strengste taboe was de moord op een vrouw en elke vrouw kon door een vuurgevecht lopen in de wetenschap dat ze nooit zou neergeschoten worden. Ook de vrouwen stonden als het op bloedwraak aankwam achter het principe. De reiziger die, eenmaal in de clan binnen gebracht onder de heilige plichten van de gastvrijheid, zal het beste van het Albanese karakter ervaren.